076. Bijbelstudie
over het
NIEUWJAAR VAN DE
BOMEN - TU BISH’VAT
ub>b
v’’t
Nadat
G’ds volk Israël uit Egypte was geleid, gaf de Eeuwige aan haar via Moshe [Mozes] Zijn Tora inclusief de geboden betreffende Zijn feesten. Hij maakte
hiermee niet slechts Zijn wil bekend, maar het was tevens een uitnodiging om
samen met Hem deel te hebben aan de heerlijke dingen, die Hij reeds vanaf het
begin voor al Zijn kinderen in gedachten had. Het zijn dus beslist geen Joodse
feesten, maar “de feestdagen van Adonai”
ofwel zoals de NBG-vertaling en de Statenvertaling ze noemt: “de feestdagen
des HEREN”! De G’d van Israël is de Gastheer en Zijn volk de gasten. De
Eeuwige heeft deze feesten verordend voor Zijn eigen vreugde, maar Hij behield
niet al Zijn vreugde voor Zichzelf: Hij deelde die met Zijn verloste volk, dat
Hij voor de jaarlijkse viering van Zijn feesten rondom Zich riep om deelgenoten
te zijn van Zijn vreugde! Hij beperkte Zich daarbij niet slechts tot Zijn eigen
volk Israël, maar Zijn uitnodiging geldt ook voor de gelovigen uit de volken,
want Hij voegde er bij alle verordeningen rondom de feestdagen nadrukkelijk aan
toe, dat het een “altoosdurende inzetting is voor u en de vreemdeling in uw
midden”! De Eeuwige schept er vreugde in al Zijn kinderen te laten delen in
Zijn blijdschap! Dat is gemeenschap! Dat is het doel waartoe wij allen
geroepen zijn: om gemeenschap met G’d en met elkaar te hebben! Het is dus
beslist geen vrijblijvende zaak om de bijbelse feesten wel of niet te vieren of
om het tijdstip van de viering zomaar eigenmachtig te veranderen terwijl G’d
zelf in Zijn Woord de juiste datum reeds heeft voorgeschreven! Maar terwijl de
Joden tot op heden nauwkeurig de “gezette hoogtijden van Adonai” in acht nemen, zijn al deze
bijbelse feestdagen reeds vanaf de vierde eeuw van de christelijke kalender
verdwenen en moesten plaats maken voor feesten zoals kerstmis, waar G’d nooit
om heeft gevraagd. Wat er van de feestdagen van Adonai is overgebleven werd verplaatst naar een andere datum, en zo zijn
dan uiteindelijk de christelijke feestdagen ontstaan waarmee men zichzelf en
anderen probeert wijs te maken dat men G’d daarmee een plezier doet. Naar Zijn
eigen mening hierom wordt niet eens gevraagd, en als men daar wel mee
geconfronteerd wordt zegt men doorgaans dat men de klok niet terug kan draaien
en gaat vrolijk verder! Maar ik wil het hier nogmaals benadrukken: de G’d van
Israël, de Schepper van hemel en aarde, is de Gastheer en wij zijn slechts de
gasten! Niet de gasten maar de Gastheer bepaalt de datum, de plaats en de
inhoud van de feesten!!! Wat zou G’ds volk, bestaande uit het gelovige deel van
Israël en de gelovigen uit de volken, toch gelukkig en gezegend zijn als zij
zich strikt hielden aan het volmaakte Woord van G’d en aangaande de G’ddelijke
geboden betreffende Zijn heilige Shabat
en Zijn feestdagen niets hadden toegevoegd, weggelaten of verplaatst. Dan was
er geen kloof tussen Messiasbelijdende Joden en christenen en ook geen
verdeeldheid tussen christenen onderling. Maar helaas, door het ontbreken van
voldoende Bijbels inzicht en doordat het christendom een eigen leven is gaan
leiden, wordt in bijna alle christelijke kerken de dwaalleer verkondigd, dat de
bijbelse feesten en de sabbat deel uitmaken van de wet, die met de dood en
opstanding van Jezus afgeschaft en niet langer geldig zou zijn. En daarom
spreekt men in de kerken niet meer van de feestdagen van Adonai, maar van de Joodse feestdagen.
Wij Messiasbelijdende Joden en gelovigen uit de volken die geënt zijn op de
Edele Olijfboom, weten echter dat G’d maar één feestkalender heeft ingesteld,
die Hij nooit heeft gewijzigd of gesplitst. Verder weten wij ook dat al deze
feestdagen naar Yeshua
wijzen en hun inhoud
volledig aan Hem ontlenen, want in de bijbelse feestdagen, die niet alleen wij,
maar ook de orthodoxe en liberale Joden vieren, is Yeshua altijd de verborgen Aanwezige!
Maar het Joodse leven heeft daarnaast ook enkele feestelijke gedenkdagen, die
niet rechtstreeks uit Tora ontbloeien en enkele, die ook
nauwelijks in de Talmud behandeld of vermeld worden.
Die, welke met ceremonieel omgeven zijn vallen op en zijn altijd al opgevallen
en hebben hun vaststaande viering verkregen en behouden. Een heel bekend
voorbeeld hiervan is Chanuka, want het kent ook ceremoniën en
een bepaalde wijze van viering, zowel in huis als in de Synagoge en vroeger
juist ook in de Tempel! Ook al is het niet gebaseerd op een g’ddelijke opdracht
in de Tora, maar op het apocriefe
bijbelboek Maccabeën, toch is Chanuka
juist ook voor ons Messiasbelijdende gelovigen van fundamenteel belang omdat Yeshua haMashiach dit feest volgens het evangelie
van Yochanan [Johannes] zelf ook vierde en
Zich tijdens dit feest van het licht aan de mensheid openbaarde als het Licht
der wereld! Maar er zijn echter ook nog enkele ”feestelijke gedenkdagen” zoals Tu biSh’vat [de 15e van de maand Sh’vat] en Tisha b’Av [de 9e van de maand Av] die zo goed als geen viering, geen ceremonieel hebben,
geen symbool of symbolische ondergrond bezitten en daarom van minder belang
zijn dan de officiële feestdagen. Zij zijn voor velen tegenwoordig eigenlijk
niet meer dan een aantekening op de Joodse kalender. Weinig meer. Men zou
kunnen denken, dat deze ook voor ons Messiasbelijdende gelovigen buiten
beschouwing zouden vallen, omdat men ze ogenschijnlijk niet zo met de Persoon
en het werk van Yeshua kan verbinden als bij de echte
feestdagen. Maar niets is minder waar, want Yeshua is alles in allen (1 Korinthiërs 15:28 en Efeziërs 1:23), dus ook
in Tu biSh’vat, het bomenfeest, waar deze
bijbelstudie over gaat! Maar wat betekent ub>b v’’t Tu biSh’vat eigenlijk en waarom wordt het
ook tvnlyal hn>h9>ar Rosh haShana la’ilanot [nieuwjaar van de bomen] genoemd? Wat moeten wij ons hieronder
voorstellen? Waarom nog een nieuwjaarsfeest erbij en waarvoor een bomenfeest?
Is dit wel bijbels verantwoord? Laat ik om te beginnen heel duidelijk
benadrukken dat Tu
biSh’vat er beslist
niets te maken heeft met de heidense verering van de bomen en het is dus ook
geen Joodse variant daarop. Maar de bomen staan wel degelijk centraal op dit
feest, en met name ,yyxh /i Etz haChayim [de Boom des Levens]: Yeshua, want het respect voor de bomen
en hun vruchten is wél bijbels! De Joodse kalender is verbonden met de
jaarlijkse cyclus der seizoenen en vegetatie. ub>b v’’t Tu biSh’vat, het Nieuwjaar van de bomen,
valt op de 15e van de maand ub> Sh’vat, het prille begin van de lente
in Israël, terwijl de winter eigenlijk nog in volle gang is. De viering van r>i9h>mx
Chamisha-Asar (de
vijftiende), zoals deze dag naar de Hebreeuwse getalsaanduiding ook wordt genoemd,
werd dus als het ware de aankondiging van de lente. De band met het oude land
werd er door versterkt. Maar waarom schrijft men dan “de vijftiende” (chamisha) in cijfers v’’t (tu),
waardoor dit feest uiteindelijk de naam Tu biSh’vat kreeg, in plaats van Chamisha-Asar biSh’vat? Welnu, zoals u misschien wel weet heeft elke Hebreeuwse letter
een cijferwaarde, die gebaseerd is op de positie in het alfabet. Zo is de a alef een 1, de b bet een 2 en ga zo maar door. Dus in principe zou het getal 15
dus eigenlijk moeten worden samengesteld uit de letters y yod (met de cijferwaarde 10) en h he
(cijferwaarde 5). Dat zou dus het meest logisch zijn, ware het niet dat dit de
beginletters zijn van de vierletterige Naam van de Eeuwige: hvhy YHVH en om deze reden wordt het getal
In Eretz Yisra’el is Tu
biSh’vat
tegenwoordig het feest van de boomplanting, waarop de schoolkinderen jonge
boompjes planten, die het land zo nodig heeft. De werkelijkheid van het leven
op eigen grond heeft het feest weer kleur en glans gegeven. Meer dan met enig
gewas is het Jodendom verbonden met bomen, in het bijzonder met
fruitbomen, want in Israël heeft men het belang van bomen goed begrepen, want
het waren namelijk de bomen die de moerassen, waar de malaria welig tierde,
hebben ontwaterd en het land opnieuw tot leven hebben gebracht. Maar niet allen
dat! Bomen veranderden de droge woestijn in groen en vruchtbaar land. Zij
zorgden er voor dat de aarde vocht ging vasthouden en ze gaven onderdak aan de
mensen. Bomen die toen in de pionierjaren werden geplant, geven nu schaduw,
voedsel en timmerhout aan het Joodse volk! Daarom is Tu biSh’vat, het nieuwjaarsfeest van de
bomen, in Israël het symbool geworden van de door G’d beloofde verandering van
het bijbelse land van woestijn naar groene velden! Maar het zijn uitsluitend de
gezonde en sterke bomen, die het land Israël nieuw leven gaven, want de zieke
en zwakke bomen hadden dit nooit kunnen bewerken. Deze eigenschappen, die aan
de bomen worden toegeschreven, dienen ook wij uit te dragen en daarom worden
bomen in de Bijbel vaak gebruikt als beeldspraak voor de mensen. De Eeuwige
wil, dat wij de eigenschappen vertonen van de stevige, sterke en gezonde bomen,
en dit komt in ,ylht Tehilim [Psalmen] 1:1-3 dan ook duidelijk naar voren: “Welzalig de man
die niet wandelt in de raad der g’ddelozen, die niet staat op de weg der
zondaars, noch zit in de kring der spotters; maar aan de Tora [wet] van de Eeuwige zijn
welgevallen heeft, en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht. Want hij is
als een boom, geplant aan waterstromen, die zijn vrucht geeft op
zijn tijd, welks loof niet verwelkt; al wat hij onderneemt, gelukt.” - In vhyi>y
Yeshayahu [Jesaja]
56:1-7 komen wij echter ook een dorre boom tegen: “Zo zegt de Eeuwige:
Onderhoudt het recht en doet gerechtigheid, want Mijn Heil (in het Hebreeuws
staat daar: ytiv>y Yeshuati!!!) staat gereed om te komen en
Mijn gerechtigheid om zich te openbaren. Welzalig de sterveling die dit doet,
en het mensenkind dat daaraan vasthoudt; die acht geeft op de Shabat, zodat hij hem niet ontheiligt,
en acht geeft op zijn hand, zodat zij niets kwaads doet. Laat dan de
vreemdeling die zich bij de Eeuwige aansloot, niet zeggen: De Eeuwige zal mij
zeker afzonderen van Zijn volk; en laat de ontmande niet zeggen: Zie, ik ben
een dorre boom. Want zo zegt de Eeuwige van de ontmanden, die
Mijn Shabatot [sabbatten] onderhouden en
verkiezen wat Mij behaagt en vasthouden aan Mijn verbond: Ik geef hun in Mijn
huis en binnen Mijn muren een gedenkteken en een naam, beter dan zonen en
dochters; Ik geef hun een eeuwige naam, die niet uitgeroeid zal worden. En
de vreemdelingen die zich bij de Eeuwige aansloten om Hem te dienen, en om
de naam van Adonai lief te hebben, om Hem tot
knechten te zijn, allen die de Shabat onderhouden, zodat zij hem niet
ontheiligen, en die vasthouden aan Mijn verbond: hen zal Ik brengen naar
Mijn heilige berg en Ik zal hun vreugde bereiden in Mijn bedehuis.” - Hoe zit het met ons?
Onderhouden wij de Shabat? Houden wij vast aan Zijn
verbond en hebben wij inderdaad welgevallen aan G’ds wet, de Tora, zoals wij gelezen hebben in Psalm 1? Wandelen ook wij op
de weg van de G’d van Israël of in de raad der g’ddelozen? Drinken wij
inderdaad uit de stromen van levend water en zijn wij echt wel gezonde bomen
die vrucht dragen? Opnieuw zegt de Eeuwige: “De rechtvaardige zal groeien
als een palmboom, opschieten als een ceder van de
Libanon; geplant in het huis van Adonai groeien zij in de voorhoven van onze G’d; zij zullen in de
ouderdom nog vrucht dragen, fris en groen zullen zij zijn!” (,ylht Tehilim [Psalmen] 92:13-15). Maar daar stelt G’d echter wel tegenover: “De
ongerechtigheid wordt gebroken als een boom!” (bvya Iyov [Job] 24:20). In de Bijbel is
een boom dus niet zo maar een plant, maar het is een symbool van leven en van
mens-zijn. Volgens het scheppings verhaal plantte G’d twee bomen in het
paradijs: de boom van kennis en de boom des levens. Het Hebreeuwse woord voor
die laatste boom, namelijk ,yyxh /i Etz haChayim, is tevens het woord voor de
houten stokken waaraan de perkamenten Torarollen bevestigd zijn, en soms ook een ander woord voor Tora zelf. Zeker in een warm klimaat zijn bomen onmisbaar en
kostbaar. Een boom betekent schaduw, voedsel en water. Een boom is met andere
woorden inderdaad leven. Het omhakken van de bomen betekent derhalve
woestijn en tenslotte zelfs de dood. De eerbied voor bomen komt daarom
nadrukkelijk tot uiting in het bijbelse voorschrift om fruitdragend geboomte
rond een belegerde stad niet om te hakken: “Wanneer gij lange tijd een stad
belegert, daartegen strijdende om haar in te nemen, dan moogt gij het geboomte
daaromheen niet vernietigen door de bijl erin te slaan, maar gij moogt daarvan
wel eten, doch het niet vellen; want zijn de bomen in het veld mensen, dat zij
door u bij het beleg betrokken zouden worden? Alleen het geboomte, waarvan gij
weet, dat het geen geboomte met eetbare vruchten is, dat moogt gij vernietigen
en vellen om een belegeringswal te bouwen tegen de stad die met u strijd voert,
totdat zij valt” (,yrbd D’varim [Deuteronomium] 20:19-20). De
volgende Midrash [vertelling] onderstreept het
belang van het planten van bomen: Yochanan ben Zaqai (een eerste-eeuwse rabbijn) heeft eens gezegd: “Als je met een
boompje in de hand staat en de Mashiach [Messias] komt, plant dan eerst het boompje en ga pas daarna de Mashiach begroeten, want dan kunnen wij
samen met Hem van de vruchten genieten!” (Avot
de Rabbi Nathan B,
31). Om deze reden is het van oudsher gebruik dat de jongeren op Tu biSh’vat bomen planten in Israël, maar
dat is wel voornamelijk een Ashkenazische traditie. Gezien de nauwe band tussen
bomen en het leven, wordt het planten van bomen geassocieerd met de hoop op
volledig leven, de verlossing zelf (zoals ook al blijkt uit het verhaal van Yochanan ben Zaqai). Het planten van bomen heeft
daarom voor velen naast economische en politieke ook een religieuze betekenis.
Omdat bomen namelijk tevens terugkerend leven symboliseren, worden bomen in
Israël tot de huidige dag ook geplant ter nagedachtenis van doden, van de
slachtoffers van oorlogen en ook van terroristische aanslagen. Degene die
vreest dat de wereld binnenkort ten einde komt en dat er daarna niets meer is,
plant geen bomen, maar wie gelooft dat er een dag zal komen waarop in de Olam Haba [de toekomende wereld] iedereen
onbevreesd onder zijn eigen vijgeboom kan zitten, plant bomen. Een boom planten
is een vreugde, die zowel de onverbrekelijke band tussen het volk en het land
Israël uitdrukt als de hoop op een beter bewoonbare wereld. Tegenwoordig is Tu biSh’vat, het nieuwjaar van de bomen, in
Israël bij uitnemendheid een feest voor de jongelui, want vooral de schooljeugd
viert het thans als tvyunh9gx Chag-haNetiot [het Plantingsfeest]. Israël
moet immers weer bebost worden. En op deze dag trekt de hele schooljeugd naar
buiten, school bij school in enorme grote optochten, met slaande trommen en met
vliegende vaandels, om de stekjes in de grond te zetten op de plekken, die van
tevoren zijn aangewezen. Groot en klein onder leiding van leraren en
Ieraressen, juffen en meesters. Toespraken, zang en spel en traktatie vullen de
boomplanting aan. Ook de media schenken ruimschoots aandacht aan de
enthousiaste optocht van de jeugd en de herbebossing van de woestijn op deze
indrukwekkende dag. Zo is het thans in Eretz Yisra’el.
Buiten
Israël ontstond de gewoonte om met Tu biSh’vat vijftien verschillende soorten fruit te eten, die bij voorkeur
afkomstig zijn uit Israël, om daarmee het genoemde getal 15 uit te drukken. In
sommige voornamelijk chassidische gezinnen groeide dit uit tot een ware Seder, een maaltijd met tekst en
uitleg vergelijkbaar met de Sedermaaltijd
van Pesach, want die bestaat namelijk ook
uit vier glazen wijn, maar in plaats van de gebruikelijke pesach-ingrediënten eet men vier gangen
met fruit nadat men de daarbij behorende B’rachot [zegenspreuken] heeft gezegd. De festiviteiten werden vergezeld
van lezen en bestuderen van teksten uit de Tora die over bomen en vruchten gaan. Zo heeft men reeds voor de
oprichting van de staat Israël al sporadisch de viering uitgebreid en
kringetjes gevormd, in welke men een heerlijke Chamisha-Asar-dis ging aanrichten. Men schaarde zich ‘s avonds aan een
fruittafel, die van alle mogelijke fruit was voorzien, en waarop de vruchten
niet mochten ontbreken, welke eens de roem waren van het heilige land: druiven,
vijgen, granaatappels, olijven en dadels, en men las elk jaar weer de heerlijke
belofte uit ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 8:7-8, die na de eeuwenlange verstrooiing weldra
opnieuw werkelijkheid zou worden: “Want de Eeuwige, uw G’d, brengt u in een
goed land, een land van beken, bronnen en wateren, die in de dalen en op de
bergen ontspringen; een land van tarwe en gerst, van wijnstokken, vijgebomen en
granaatappelen; een land van olierijke olijfbomen en honig…”. De exemplaren
op die fruittafel kwamen toen natuurlijk volstrekt nog niet altijd of bijna
nooit uit het joodse land. Nog niet. Maar men deed moeite om in elk geval
sinaasappels, vijgen en dadels uit het toenmalige Britse mandaatgebied
Palestina te bemachtigen. En dan liefst in verse toestand, hetgeen toen
uiteraard begrijpelijkerwijze niet altijd gemakkelijk was. De jongelui gingen
rond langs de huizen van de Joden en boden daar allerlei Israëlische vruchten
te koop aan: sinaasappelen of amandelen of dergelijke, die toen reeds op de
Europese markten verkrijgbaar waren. De opbrengst was voor het Joods Nationaal
Fonds, waaruit de bodem van het Joodse land werd gekocht, en zo heeft men in de
Galut [diaspora] met de viering van TuBish’vat een actieve bijdrage geleverd
voor de ontginning en de opbouw van het Beloofde Land. Er hebben zich hier en
daar zelfs verenigingen gevormd met het doel om Chamisha-Asar op deze wijze gezamenlijk te vieren. Er bestaat zelfs een soort Sidur, een handleiding van de dienst,
een orde van de Hebreeuwse stukken uit de bijbelse en nabijbelse literatuur,
die tijdens de dis door de tafelronde worden opgezegd en in tegenstelling tot
vroeger zorgt men nu wel heel nauwkeurig voor de aanwezigheid van vruchten, die
werkelijk in Eretz
Yisra’el gegroeid
zijn, want het zijn boden van Israëlische grond, die getuigen van het feit dat
G’d Zijn belofte waar heeft gemaakt! Sefardische Joden hebben ook rituelen
ontwikkeld om Chamisha-Asar te vieren. Zij noemden deze
feestdag “Las Frutas”: het Feest van Vruchten.
Kinderen werd stukjes hout van Israëlische fruitbomen gegeven die als ketting
om de hals werden gedragen. De welgestelden organiseerden vaak een overvloedig
fruitfeest voor het hele dorp. Zo geeft Chamisha-Asar ofwel Tu
biSh’vat, het
nieuwjaarsfeest van de bomen, nog steeds aan Joodse mensen in de verstrooiing
een band met het land Israël en herinnert aan het feit dat G’d Zijn beloftes
altijd waarmaakt!
In de
Bijbel worden bomen zoals reeds eerder vermeld vaak gebruikt als een
beeldspraak voor mensen. Een prachtig voorbeeld van een dergelijke Midrash [vertelling] vinden wij in ,ytp>
Shof’tim [Richteren]
9:8-15, waarin Yotam [Jotam] de inwoners van Sh’chem [Sichem] toespreekt nadat zij Avimelech [Abimelek] hebben uitgeroepen
tot koning: “Eens begaven de bomen zich op weg om een koning over zich te
zalven en zij zeiden tot de olijfboom: wees toch koning over ons! Maar de
olijfboom zeide tot hen: zou ik de vettigheid prijsgeven, welke G’d en mensen
in mij eren, om te gaan zweven boven de bomen? Toen zeiden de bomen tot de
vijgenboom: welaan, wees gij koning over ons! Maar de vijgenboom zeide tot hen:
zou ik mijn zoetigheid prijsgeven en mijn goede vruchten, om te gaan zweven
boven de bomen? Toen zeiden de bomen tot de wijnstok: welaan, wees gij koning
over ons! Maar de wijnstok zeide tot hen: zou ik mijn most prijsgeven, die G’d
en mensen vrolijk maakt, om te gaan zweven boven de bomen? Toen zeiden al de
bomen tot de doornstruik: welaan, wees gij koning over ons! En de doornstruik
zeide tot de bomen; indien gij mij werkelijk tot koning over u wilt zalven,
komt dan en schuilt in mijn schaduw; maar zo niet, dan zal er vuur uitgaan van
de doornstruik en de ceders van de Libanon verslinden”. De Midrash van Yotam bestaat uit twee delen. Uit een
fabel en uit de toepassing ervan. Het was voor de bomen eigenlijk helemaal niet
nodig om een koning te verkiezen, want zij zijn allen de bomen van de Eeuwige,
die Hij geplant heeft en die Hijzelf verzorgd waardoor zij niets tekort komen (,ylht Tehilim [Psalmen] 104:16, en die Hij
bijgevolg ook zal beschermen. En evenmin had Israël het nodig om te spreken van
een koning over zich aan te stellen, want de G’d van Israël was en is hun
Koning. Maar toen zij er aan dachten een koning over zich aan te stellen,
hebben zij dit niet aan de statige ceder aangeboden en ook niet aan de hoge
pijnboom, want deze bomen zijn slechts fraai van aanzien en geven slechts
schaduw, maar verder zijn zij nutteloos vóórdat zij omgehouwen zijn. Nee, ze
vroegen het aan vruchtbomen, de wijnstok en de olijfboom. Zij, die vrucht
dragen voor het algemene welzijn, worden terecht geacht en geëerd door allen,
die wijs zijn, meer dan zij, die slechts een fraaie vertoning maken. En toch
weigerden zij en de reden, die al deze vruchtbomen gaven voor hun weigering,
was ongeveer dezelfde. De olijfboom voert aan, dat hij zijn vettigheid en de
wijnstok zijn most niet wil verlaten, waarmee zowel G’d als de mens geëerd en
gediend worden, want olie en wijn werden beide gebruikt op G’ds altaar en op de
tafel der mensen. En de vijgenboom wil zijn zoetigheid en zijn goede vrucht
niet verlaten om te zweven over de bomen, of zoals sommigen vertalen, om op en
neer te gaan voor de bomen. Hiermee wordt te kennen gegeven, dat hij niet van
plan is om voor de bomen op en neer te gaan, zich voor hen uit te sloven.
Uiteindelijk vragen de bomen of de doornstruik koning over hen wil zijn, maar
doornstruiken leveren geen timmerhout en zeker ook geen voedzame vruchten.
Eigenlijk zijn ze voorbeeldige nietsnutters. Bladeren dragen ze nauwelijks en
in elk geval zó weinig dat ze geen schaduw geven om iemand te verkwikken. Maar
als zo'n waardeloze droge doornstruik vlam vat, dan kan hij toch nog wel een
gevaar voor het hele bos betekenen. Yotam wijst de inwoners van Sh’chem
op het verderf dat door Avimelech over
hen komen zal. Als de Eeuwige Zijn oordelen aankondigt, dan spreekt Hij geen
fabeltjes. Het zijn geen loze woorden. Het is harde taal! G’d zoekt ook daarmee
echter niet de ondergang van de mensen, maar hun behoud. Maar dan moeten ze wel
luisteren naar Zijn stem en zich bekeren. Een soortgelijke Midrash waarin mensen met bomen worden
vergeleken, vinden wij in laqzxy Yechezq’el [Ezechiël] 31:1-18, waarin het
oordeel wordt beschreven over een ongehoorzaam en slecht volk: “In het elfde
jaar, in de derde maand, op de eerste der maand, kwam het woord van de Eeuwige
tot mij: Mensenkind, zeg tot Farao, de koning van Egypte, en tot zijn mensenmenigte: aan wie zijt
gij in uw grootheid gelijk? Zie, Assur was een ceder op de Libanon, schoon van
takken, met schaduwrijk loof, hoog van stam; zijn top reikte tot in de wolken.
Water maakte hem groot, de vloed uit de diepte deed hem hoog worden; die liet
zijn stromen vloeien rondom de plaats waar hij geplant was, en deed zijn geulen
uitgaan tot naar alle bomen des velds. Daardoor werd zijn stam hoger dan alle
andere bomen des velds; zijn twijgen werden talrijk en zijn takken lang door de
overvloed van water, terwijl hij opschoot. In zijn twijgen nestelde al het
gevogelte des hemels, onder zijn takken wierp al het gedierte des velds zijn
jongen, in zijn schaduw woonden alle grote volken. Schoon was hij door zijn
grootte, door de lengte van zijn takken, want zijn wortel reikte tot aan een
overvloed van water. Ceders in G’ds hof evenaarden hem niet, cypressen waren
niet te vergelijken met zijn twijgen, en platanen haalden niet bij zijn takken;
geen boom in G’ds hof was hem gelijk in schoonheid. Schoon had Ik hem gemaakt
met zijn overvloed van takken; alle bomen van Eden die in G’ds hof stonden,
benijdden hem. Daarom, zo zegt de Eeuwige Adonai, omdat hij hoog van stam geworden was en zijn top tot in de
wolken had gestoken, en omdat zijn hart zich verhovaardigd had op zijn hoogte,
daarom gaf Ik hem over aan een machtige onder de volken, die hem ten volle deed
naar zijn g’ddeloosheid; Ik verstiet hem. Vreemden, de gewelddadigste der
volken, velden hem en deden hem neerstorten op de bergen en in alle dalen
vielen zijn takken, zijn twijgen braken in alle beekbeddingen der aarde, alle
volken der aarde trokken weg uit zijn schaduw en lieten hem liggen. Al het
gevogelte des hemels zette zich neer op zijn omgevallen stam, en tussen zijn
takken legerde al het gedierte des velds; opdat geen boom aan het water zich
meer verhovaardige op zijn hoogte of zijn top tot in de wolken steke, en opdat
de waterdrinkers in hun trots zich niet verbeelden in eigen kracht te kunnen
staan. Want zij zijn allen aan de dood overgegeven, om naar lva>
She’ol [de
onderwereld] te gaan, te midden der mensenkinderen, naar hen die in de groeve
zijn neergedaald. Zo zegt de Eeuwige Adonai: Ten dage dat hij neerdaalde in het dodenrijk, hulde Ik om
zijnentwil de vloed in rouw en hield zijn stromen tegen, zodat de overvloed van
water ophield; om zijnentwil hulde Ik de Libanon in een rouwkleed; om
zijnentwil versmachtten alle bomen des velds. Door het gedreun van zijn val
deed Ik de volken beven, toen Ik hem deed neerdalen in het dodenrijk, bij hen
die in de groeve zijn neergedaald. Maar in de onderwereld troostten zich alle
bomen van Eden, de keur en het schoonste van de
Libanon, alle waterdrinkers. Ook zij waren met hem in het dodenrijk neer
gedaald, naar hen die met het zwaard gedood zijn, zijn helpers die in zijn
schaduw hadden gewoond te midden der volken. Aan wie onder de bomen van Eden zijt gij dan in heerlijkheid en
grootheid gelijk? Met de bomen van Eden zult gij neergeworpen worden in de onderwereld, liggen te midden
van onbesnedenen, bij hen die met het zwaard gedood zijn. Zo gaat het Farao met zijn gehele mensenmenigte,
luidt het woord van de Eeuwige Adonai”.
Deze
Joodse manier om door een Midrash
in gelijkenissen te onderwijzen is zeer oud en ook Yeshua staat erom bekend dat Hij sprak
in gelijkenissen, waarin Hij dikwijls de bomen als beeldspraak voor mensen
gebruikte: “Reeds ligt de bijl aan de wortel der bomen: iedere boom dan,
die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen”
(vhyttm Matityahu
[Matthéüs] 3:10). - “Aan hun vruchten zult gij hen kennen: men leest toch
geen druiven van dorens of vijgen van distels? Zo brengt iedere goede boom
goede vruchten voort, maar de slechte boom brengt slechte vruchten voort. Een
goede boom kan geen slechte vruchten dragen, of een slechte boom goede vruchten
dragen. Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in
het vuur geworpen. Zo zult gij hen dan aan hun vruchten kennen” (vhyttm
Matityahu [Matthéüs]
7:16-20). - “Immers, er is geen goede boom, die slechte vrucht voortbrengt,
noch ook een slechte boom, die goede vrucht voortbrengt. Want elke boom wordt
aan zijn eigen vrucht gekend. Want van dorens leest men geen vijgen, en van een
braamstruik oogst men geen druif” (Lucas 6:43-44), om maar enkele
voorbeelden te noemen. Maar ook Sha’ul haShaliach [de apostel Paulus] spreekt op dezelfde wijze over bomen als beeldspraak
voor mensen. Een bekend voorbeeld is zijn Midrash in Romeinen 11, waarmee hij wil verduidelijken dat de gelovigen
uit de volken als wilde takken zijn geënt op de Edele Olijfboom Israël, nadat
enkele natuurlijke takken vanwege hun ongeloof en ongehoorzaamheid waren
weggebroken. De wilde takken kwamen echter niet in de plaats van alle
natuurlijke takken, maar werden tussen de overgebleven natuurlijke takken in
geënt. Sha’ul waarschuwt de geënte wilde loten
zeer nadrukkelijk voor een hoogmoedige houding tegenover de afgekapte
natuurlijke takken: “Indien nu enkele van de takken weggebroken zijn en gij
als wilde loot daartussen geënt zijt en aan de saprijke wortel van de olijf
deel hebt gekregen, beroem u dan niet tegen de takken! Indien gij u ertegen beroemt;
niet gij draagt de wortel, maar de wortel u!!! Gij zult dan
zeggen: er zijn takken weggebroken, opdat ik als loot geënt zou worden. Goed!
Zij zijn om hun ongeloof weggebroken en gij staat door het geloof. Wees niet
hoogmoedig, maar vrees! Want indien G’d de natuurlijke takken niet gespaard
heeft, Hij zal ook u niet sparen. Let dan op de goedertierenheid G’ds en zijn
gestrengheid: over de gevallenen gestrengheid, maar over u goedertierenheid
G’ds, indien gij bij de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij weggekapt
worden. Maar ook zij zullen, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven, weder
geënt worden; G’d is immers bij machte hen opnieuw te enten. Want indien gij
uit de wilde olijf, waartoe gij naar uw natuur behoort, weggekapt en tegen uw
natuur op de edele olijf geënt zijt, hoeveel te meer zullen dezen, naar hun
natuur, op hun eigen olijf geënt worden” (Romeinen 11:17-24). In de
tweedelige bijbelstudie “De Edele Olijf” ga ik wat uitgebreider hierop in.
In ty>arb
B’reshit [Genesis]
2:9 en 2:16-17 wordt er gesproken over de boom van kennis en de Boom des
Levens. Eigenlijk kan men dit zien als de eerste Midrash waarin bomen als beeldspraak worden gebruikt: “Ook deed Adonai Elohim allerlei geboomte uit de
aardbodem opschieten, begeerlijk om te zien en goed om van te eten; en de Boom
des Levens in het midden van de hof, benevens de boom der kennis van goed en
kwaad.” - “En
Adonai Elohim legde de mens het gebod op: Van
alle bomen in de hof moogt gij vrij eten, maar van de boom der kennis van goed
en kwaad, daarvan zult gij niet eten, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult
gij voorzeker sterven.” - Helaas hebben de mensen de boom der kennis verkozen boven de
Boom des Levens, en de gevolgen daarvan dragen wij tot de huidige dag: “En Adonai Elohim zeide: Zie, de mens is geworden
als Onzer een door de kennis van goed en kwaad; nu dan, laat hij zijn hand niet
uitstrekken en ook van de Boom des Levens nemen en eten, zodat hij in
eeuwigheid zou leven. Toen zond Adonai Elohim hem weg uit de hof van Eden om de aardbodem te bewerken,
waaruit hij genomen was. En Hij verdreef de mens en Hij stelde ten oosten van
de hof van Eden de cherubs met een flikkerend
zwaard, dat zich heen en weer wendde, om de weg tot de Boom des Levens te
bewaken.” (ty>arb
B’reshit [Genesis]
2:22-24). Door onze zonde is de toegang tot de Boom des Levens en daardoor tot
het eeuwig leven, eigenlijk geblokkeerd, afgesloten! Maar Yeshua heeft aan het kruis van Golgotha
de weg vrij gemaakt voor ons. Het enige wat Hij van ons vraagt is berouw,
bekering, gehoorzaamheid en volhardend geloof! Als wij aan deze voorwaarden
voldoen, dan hebben wij vrije toegang tot de Boom des Levens, want dat heeft de
eeuwige ons beloofd: “Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de
gemeenten zegt. Wie overwint, hem zal Ik geven te eten van de Boom des Levens,
die in het paradijs G’ds is.” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 2:7). Maar opnieuw
een dringende waarschuwing: “Ik betuig aan een ieder, die de woorden der
profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan toevoegt, G’d zal hem
toevoegen de plagen, die in dit boek geschreven zijn; en indien iemand afneemt
van de woorden van het boek dezer profetie, G’d zal zijn deel afnemen van het
Geboomte des Levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn!”
(]vyzx Chizayon [Openbaring] 22:19-20).
Daarom
is ub>b v’’t Tu biSh’vat [het Nieuwjaarsfeest van de
bomen], elk jaar opnieuw voor ons allen een dag van vreugde en blijdschap met
het oog op ,yyxh /i Etz haChayim [de Boom des Levens], die op ons staat te wachten, maar
tegelijkertijd ook een dag van bezinning om onszelf te onderzoeken tot welke
soort bomen wij behoren: zijn wij nog gezonde, sterke en vruchtbare bomen of
zijn wij reeds aan het verdorren?
Werner
Stauder