076. Bijbelstudie over het

NIEUWJAAR VAN DE BOMEN - TU BISH’VAT

ub>b v’’t

 

Nadat G’ds volk Israël uit Egypte was geleid, gaf de Eeuwige aan haar via Moshe [Mozes] Zijn Tora inclusief de geboden betreffende Zijn feesten. Hij maakte hiermee niet slechts Zijn wil bekend, maar het was tevens een uitnodiging om samen met Hem deel te hebben aan de heerlijke dingen, die Hij reeds vanaf het begin voor al Zijn kinderen in gedachten had. Het zijn dus beslist geen Joodse feesten, maar “de feestdagen van Adonai ofwel zoals de NBG-vertaling en de Statenvertaling ze noemt: “de feestdagen des HEREN”! De G’d van Israël is de Gastheer en Zijn volk de gasten. De Eeuwige heeft deze feesten verordend voor Zijn eigen vreugde, maar Hij behield niet al Zijn vreugde voor Zichzelf: Hij deelde die met Zijn verloste volk, dat Hij voor de jaarlijkse viering van Zijn feesten rondom Zich riep om deelgenoten te zijn van Zijn vreugde! Hij beperkte Zich daarbij niet slechts tot Zijn eigen volk Israël, maar Zijn uitnodiging geldt ook voor de gelovigen uit de volken, want Hij voegde er bij alle verordeningen rondom de feestdagen nadrukkelijk aan toe, dat het een “altoosdurende inzetting is voor u en de vreemdeling in uw midden”! De Eeuwige schept er vreugde in al Zijn kinderen te laten delen in Zijn blijdschap! Dat is gemeenschap! Dat is het doel waartoe wij allen geroepen zijn: om gemeenschap met G’d en met elkaar te hebben! Het is dus beslist geen vrijblijvende zaak om de bijbelse feesten wel of niet te vieren of om het tijdstip van de viering zomaar eigenmachtig te veranderen terwijl G’d zelf in Zijn Woord de juiste datum reeds heeft voorgeschreven! Maar terwijl de Joden tot op heden nauwkeurig de “gezette hoogtijden van Adonai” in acht nemen, zijn al deze bijbelse feestdagen reeds vanaf de vierde eeuw van de christelijke kalender verdwenen en moesten plaats maken voor feesten zoals kerstmis, waar G’d nooit om heeft gevraagd. Wat er van de feestdagen van Adonai is overgebleven werd verplaatst naar een andere datum, en zo zijn dan uiteindelijk de christelijke feestdagen ontstaan waarmee men zichzelf en anderen probeert wijs te maken dat men G’d daarmee een plezier doet. Naar Zijn eigen mening hierom wordt niet eens gevraagd, en als men daar wel mee geconfronteerd wordt zegt men doorgaans dat men de klok niet terug kan draaien en gaat vrolijk verder! Maar ik wil het hier nogmaals benadrukken: de G’d van Israël, de Schepper van hemel en aarde, is de Gastheer en wij zijn slechts de gasten! Niet de gasten maar de Gastheer bepaalt de datum, de plaats en de inhoud van de feesten!!! Wat zou G’ds volk, bestaande uit het gelovige deel van Israël en de gelovigen uit de volken, toch gelukkig en gezegend zijn als zij zich strikt hielden aan het volmaakte Woord van G’d en aangaande de G’ddelijke geboden betreffende Zijn heilige Shabat en Zijn feestdagen niets hadden toegevoegd, weggelaten of verplaatst. Dan was er geen kloof tussen Messiasbelijdende Joden en christenen en ook geen verdeeldheid tussen christenen onderling. Maar helaas, door het ontbreken van voldoende Bijbels inzicht en doordat het christendom een eigen leven is gaan leiden, wordt in bijna alle christelijke kerken de dwaalleer verkondigd, dat de bijbelse feesten en de sabbat deel uitmaken van de wet, die met de dood en opstanding van Jezus afgeschaft en niet langer geldig zou zijn. En daarom spreekt men in de kerken niet meer van de feestdagen van Adonai, maar van de Joodse feestdagen. Wij Messiasbelijdende Joden en gelovigen uit de volken die geënt zijn op de Edele Olijfboom, weten echter dat G’d maar één feestkalender heeft ingesteld, die Hij nooit heeft gewijzigd of gesplitst. Verder weten wij ook dat al deze feestdagen naar Yeshua wijzen en hun inhoud volledig aan Hem ontlenen, want in de bijbelse feestdagen, die niet alleen wij, maar ook de orthodoxe en liberale Joden vieren, is Yeshua altijd de verborgen Aanwezige! Maar het Joodse leven heeft daarnaast ook enkele feestelijke gedenkdagen, die niet rechtstreeks uit Tora ontbloeien en enkele, die ook nauwelijks in de Talmud behandeld of vermeld worden. Die, welke met ceremonieel omgeven zijn vallen op en zijn altijd al opgevallen en hebben hun vaststaande viering verkregen en behouden. Een heel bekend voorbeeld hiervan is Chanuka, want het kent ook ceremoniën en een bepaalde wijze van viering, zowel in huis als in de Synagoge en vroeger juist ook in de Tempel! Ook al is het niet gebaseerd op een g’ddelijke opdracht in de Tora, maar op het apocriefe bijbelboek Maccabeën, toch is Chanuka juist ook voor ons Messiasbelijdende gelovigen van fundamenteel belang omdat Yeshua haMashiach dit feest volgens het evangelie van Yochanan [Johannes] zelf ook vierde en Zich tijdens dit feest van het licht aan de mensheid openbaarde als het Licht der wereld! Maar er zijn echter ook nog enkele ”feestelijke gedenkdagen” zoals Tu biSh’vat [de 15e van de maand Sh’vat] en Tisha b’Av [de 9e van de maand Av] die zo goed als geen viering, geen ceremonieel hebben, geen symbool of symbolische ondergrond bezitten en daarom van minder belang zijn dan de officiële feestdagen. Zij zijn voor velen tegenwoordig eigenlijk niet meer dan een aantekening op de Joodse kalender. Weinig meer. Men zou kunnen denken, dat deze ook voor ons Messiasbelijdende gelovigen buiten beschouwing zouden vallen, omdat men ze ogenschijnlijk niet zo met de Persoon en het werk van Yeshua kan verbinden als bij de echte feestdagen. Maar niets is minder waar, want Yeshua is alles in allen (1 Korinthiërs 15:28 en Efeziërs 1:23), dus ook in Tu biSh’vat, het bomenfeest, waar deze bijbelstudie over gaat! Maar wat betekent ub>b v’’t Tu biSh’vat eigenlijk en waarom wordt het ook tvnlyal hn>h9>ar Rosh haShana la’ilanot [nieuwjaar van de bomen] genoemd? Wat moeten wij ons hieronder voorstellen? Waarom nog een nieuwjaarsfeest erbij en waarvoor een bomenfeest? Is dit wel bijbels verantwoord? Laat ik om te beginnen heel duidelijk benadrukken dat Tu biSh’vat er beslist niets te maken heeft met de heidense verering van de bomen en het is dus ook geen Joodse variant daarop. Maar de bomen staan wel degelijk centraal op dit feest, en met name ,yyxh /i Etz haChayim [de Boom des Levens]: Yeshua, want het respect voor de bomen en hun vruchten is wél bijbels! De Joodse kalender is verbonden met de jaarlijkse cyclus der seizoenen en vegetatie. ub>b v’’t Tu biSh’vat, het Nieuwjaar van de bomen, valt op de 15e van de maand ub> Sh’vat, het prille begin van de lente in Israël, terwijl de winter eigenlijk nog in volle gang is. De viering van r>i9h>mx Chamisha-Asar (de vijftiende), zoals deze dag naar de Hebreeuwse getalsaanduiding ook wordt genoemd, werd dus als het ware de aankondiging van de lente. De band met het oude land werd er door versterkt. Maar waarom schrijft men dan “de vijftiende” (chamisha) in cijfers v’’t (tu), waardoor dit feest uiteindelijk de naam Tu biSh’vat kreeg, in plaats van Chamisha-Asar biSh’vat? Welnu, zoals u misschien wel weet heeft elke Hebreeuwse letter een cijferwaarde, die gebaseerd is op de positie in het alfabet. Zo is de a alef een 1, de b bet een 2 en ga zo maar door. Dus in principe zou het getal 15 dus eigenlijk moeten worden samengesteld uit de letters y yod (met de cijferwaarde 10) en h he (cijferwaarde 5). Dat zou dus het meest logisch zijn, ware het niet dat dit de beginletters zijn van de vierletterige Naam van de Eeuwige: hvhy YHVH en om deze reden wordt het getal 15 in het Hebreeuws geschreven met de letters u tet (dat is cijferwaarde 9) en v vav (cijferwaarde 6) en uitgesproken als 'toe' en in de internationale spelling geschreven als ‘tu’. Maar waarom hebben de Joden behalve een nieuwjaar voor de religieuze kalender (de eerste dag van de maand Nisan, de eerste maand), een nieuwjaar voor de burgerlijke kalender (de eerste dag van de maand Tish’ri, de zevende maand), ook nog een nieuwjaar van de bomen op de vijftiende dag van de maand Sh’vat, de elfde maand? Omdat de Tora voorschrijft gedurende de eerste drie jaar het fruit ervan niet te eten, en in het vierde jaar de opbrengst aan de priesters te geven (arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 19:23-25). En wanneer verjaart dan een boom? Volgens de Joodse wijzen op de 15e van de maand Sh’vat. De elfde maand is in de regentijd. De ergste regendagen zijn dan gewoonlijk voorbij. De vijftiende van deze maand is in een gewoon jaar precies twee maanden vóór Pesach [Pasen], in een schrikkeljaar (dat is zeven keer in de negentien jaren) drie maanden. U begrijpt nu: Pesach is in de arenmaand, de maand Nisan, en in de regel is het vroege graan dan reeds rijp. Dus is in de maand Sh’vat de bodem toch zeker al zwanger van nieuwe groeikracht en ontluikt er een frisse vruchtbaarheid. Zo heet de vijftiende Sh’vat (Chamisha-Asar biSh’vat) al van oudsher het Nieuwjaar van de Bomen (Mishna Rosh haShana 1:1). Dat had ook praktische betekenis ten opzichte van hetgeen er ieder jaar in natura van de jaarlijkse opbrengst van de boomvruchten opgebracht moest worden. Praktisch dus van wettelijke werking, toen en zolang het leven in Israël nog in volle gang was. Maar nadat de verstrooiing was voltooid, had een dag als deze zijn bestaansrecht eigenlijk verloren. Hij kwam als een herinnering op de kalender, maar het Joodse volk trachtte er ook in de diaspora nog iets van te maken. Een kleine, maar feestelijke viering van deze dag ontstond in de elfde eeuw eerst in de synagogale dienst, maar later ook in het gezinsleven.

 

Bomen planten

 

In Eretz Yisra’el is Tu biSh’vat tegenwoordig het feest van de boomplanting, waarop de schoolkinderen jonge boompjes planten, die het land zo nodig heeft. De werkelijkheid van het leven op eigen grond heeft het feest weer kleur en glans gegeven. Meer dan met enig gewas is het Jodendom verbonden met bomen, in het bijzonder met fruitbomen, want in Israël heeft men het belang van bomen goed begrepen, want het waren namelijk de bomen die de moerassen, waar de malaria welig tierde, hebben ontwaterd en het land opnieuw tot leven hebben gebracht. Maar niet allen dat! Bomen veranderden de droge woestijn in groen en vruchtbaar land. Zij zorgden er voor dat de aarde vocht ging vasthouden en ze gaven onderdak aan de mensen. Bomen die toen in de pionierjaren werden geplant, geven nu schaduw, voedsel en timmerhout aan het Joodse volk! Daarom is Tu biSh’vat, het nieuwjaarsfeest van de bomen, in Israël het symbool geworden van de door G’d beloofde verandering van het bijbelse land van woestijn naar groene velden! Maar het zijn uitsluitend de gezonde en sterke bomen, die het land Israël nieuw leven gaven, want de zieke en zwakke bomen hadden dit nooit kunnen bewerken. Deze eigenschappen, die aan de bomen worden toegeschreven, dienen ook wij uit te dragen en daarom worden bomen in de Bijbel vaak gebruikt als beeldspraak voor de mensen. De Eeuwige wil, dat wij de eigenschappen vertonen van de stevige, sterke en gezonde bomen, en dit komt in ,ylht Tehilim [Psalmen] 1:1-3 dan ook duidelijk naar voren: “Welzalig de man die niet wandelt in de raad der g’ddelozen, die niet staat op de weg der zondaars, noch zit in de kring der spotters; maar aan de Tora [wet] van de Eeuwige zijn welgevallen heeft, en diens wet overpeinst bij dag en bij nacht. Want hij is als een boom, geplant aan waterstromen, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, welks loof niet verwelkt; al wat hij onderneemt, gelukt.” - In vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 56:1-7 komen wij echter ook een dorre boom tegen: “Zo zegt de Eeuwige: Onderhoudt het recht en doet gerechtigheid, want Mijn Heil (in het Hebreeuws staat daar: ytiv>y Yeshuati!!!) staat gereed om te komen en Mijn gerechtigheid om zich te openbaren. Welzalig de sterveling die dit doet, en het mensenkind dat daaraan vasthoudt; die acht geeft op de Shabat, zodat hij hem niet ontheiligt, en acht geeft op zijn hand, zodat zij niets kwaads doet. Laat dan de vreemdeling die zich bij de Eeuwige aansloot, niet zeggen: De Eeuwige zal mij zeker afzonderen van Zijn volk; en laat de ontmande niet zeggen: Zie, ik ben een dorre boom. Want zo zegt de Eeuwige van de ontmanden, die Mijn Shabatot [sabbatten] onderhouden en verkiezen wat Mij behaagt en vasthouden aan Mijn verbond: Ik geef hun in Mijn huis en binnen Mijn muren een gedenkteken en een naam, beter dan zonen en dochters; Ik geef hun een eeuwige naam, die niet uitgeroeid zal worden. En de vreemdelingen die zich bij de Eeuwige aansloten om Hem te dienen, en om de naam van Adonai lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn, allen die de Shabat onderhouden, zodat zij hem niet ontheiligen, en die vasthouden aan Mijn verbond: hen zal Ik brengen naar Mijn heilige berg en Ik zal hun vreugde bereiden in Mijn bedehuis.” - Hoe zit het met ons? Onderhouden wij de Shabat? Houden wij vast aan Zijn verbond en hebben wij inderdaad welgevallen aan G’ds wet, de Tora, zoals wij gelezen hebben in Psalm 1? Wandelen ook wij op de weg van de G’d van Israël of in de raad der g’ddelozen? Drinken wij inderdaad uit de stromen van levend water en zijn wij echt wel gezonde bomen die vrucht dragen? Opnieuw zegt de Eeuwige: “De rechtvaardige zal groeien als een palmboom, opschieten als een ceder van de Libanon; geplant in het huis van Adonai groeien zij in de voorhoven van onze G’d; zij zullen in de ouderdom nog vrucht dragen, fris en groen zullen zij zijn!” (,ylht Tehilim [Psalmen] 92:13-15). Maar daar stelt G’d echter wel tegenover: “De ongerechtigheid wordt gebroken als een boom!” (bvya Iyov [Job] 24:20). In de Bijbel is een boom dus niet zo maar een plant, maar het is een symbool van leven en van mens-zijn. Volgens het scheppings verhaal plantte G’d twee bomen in het paradijs: de boom van kennis en de boom des levens. Het Hebreeuwse woord voor die laatste boom, namelijk ,yyxh /i Etz haChayim, is tevens het woord voor de houten stokken waaraan de perkamenten Torarollen bevestigd zijn, en soms ook een ander woord voor Tora zelf. Zeker in een warm klimaat zijn bomen onmisbaar en kostbaar. Een boom betekent schaduw, voedsel en water. Een boom is met andere woorden inderdaad leven. Het omhakken van de bomen betekent derhalve woestijn en tenslotte zelfs de dood. De eerbied voor bomen komt daarom nadrukkelijk tot uiting in het bijbelse voorschrift om fruitdragend geboomte rond een belegerde stad niet om te hakken: “Wanneer gij lange tijd een stad belegert, daartegen strijdende om haar in te nemen, dan moogt gij het geboomte daaromheen niet vernietigen door de bijl erin te slaan, maar gij moogt daarvan wel eten, doch het niet vellen; want zijn de bomen in het veld mensen, dat zij door u bij het beleg betrokken zouden worden? Alleen het geboomte, waarvan gij weet, dat het geen geboomte met eetbare vruchten is, dat moogt gij vernietigen en vellen om een belegeringswal te bouwen tegen de stad die met u strijd voert, totdat zij valt” (,yrbd D’varim [Deuteronomium] 20:19-20). De volgende Midrash [vertelling] onderstreept het belang van het planten van bomen: Yochanan ben Zaqai (een eerste-eeuwse rabbijn) heeft eens gezegd: “Als je met een boompje in de hand staat en de Mashiach [Messias] komt, plant dan eerst het boompje en ga pas daarna de Mashiach begroeten, want dan kunnen wij samen met Hem van de vruchten genieten!” (Avot de Rabbi Nathan B, 31). Om deze reden is het van oudsher gebruik dat de jongeren op Tu biSh’vat bomen planten in Israël, maar dat is wel voornamelijk een Ashkenazische traditie. Gezien de nauwe band tussen bomen en het leven, wordt het planten van bomen geassocieerd met de hoop op volledig leven, de verlossing zelf (zoals ook al blijkt uit het verhaal van Yochanan ben Zaqai). Het planten van bomen heeft daarom voor velen naast economische en politieke ook een religieuze betekenis. Omdat bomen namelijk tevens terugkerend leven symboliseren, worden bomen in Israël tot de huidige dag ook geplant ter nagedachtenis van doden, van de slachtoffers van oorlogen en ook van terroristische aanslagen. Degene die vreest dat de wereld binnenkort ten einde komt en dat er daarna niets meer is, plant geen bomen, maar wie gelooft dat er een dag zal komen waarop in de Olam Haba [de toekomende wereld] iedereen onbevreesd onder zijn eigen vijgeboom kan zitten, plant bomen. Een boom planten is een vreugde, die zowel de onverbrekelijke band tussen het volk en het land Israël uitdrukt als de hoop op een beter bewoonbare wereld. Tegenwoordig is Tu biSh’vat, het nieuwjaar van de bomen, in Israël bij uitnemendheid een feest voor de jongelui, want vooral de schooljeugd viert het thans als tvyunh9gx Chag-haNetiot [het Plantingsfeest]. Israël moet immers weer bebost worden. En op deze dag trekt de hele schooljeugd naar buiten, school bij school in enorme grote optochten, met slaande trommen en met vliegende vaandels, om de stekjes in de grond te zetten op de plekken, die van tevoren zijn aangewezen. Groot en klein onder leiding van leraren en Ieraressen, juffen en meesters. Toespraken, zang en spel en traktatie vullen de boomplanting aan. Ook de media schenken ruimschoots aandacht aan de enthousiaste optocht van de jeugd en de herbebossing van de woestijn op deze indrukwekkende dag. Zo is het thans in Eretz Yisra’el.

 

15 soorten fruit eten

 

Buiten Israël ontstond de gewoonte om met Tu biSh’vat vijftien verschillende soorten fruit te eten, die bij voorkeur afkomstig zijn uit Israël, om daarmee het genoemde getal 15 uit te drukken. In sommige voornamelijk chassidische gezinnen groeide dit uit tot een ware Seder, een maaltijd met tekst en uitleg vergelijkbaar met de Sedermaaltijd van Pesach, want die bestaat namelijk ook uit vier glazen wijn, maar in plaats van de gebruikelijke pesach-ingrediënten eet men vier gangen met fruit nadat men de daarbij behorende B’rachot [zegenspreuken] heeft gezegd. De festiviteiten werden vergezeld van lezen en bestuderen van teksten uit de Tora die over bomen en vruchten gaan. Zo heeft men reeds voor de oprichting van de staat Israël al sporadisch de viering uitgebreid en kringetjes gevormd, in welke men een heerlijke Chamisha-Asar-dis ging aanrichten. Men schaarde zich ‘s avonds aan een fruittafel, die van alle mogelijke fruit was voorzien, en waarop de vruchten niet mochten ontbreken, welke eens de roem waren van het heilige land: druiven, vijgen, granaatappels, olijven en dadels, en men las elk jaar weer de heerlijke belofte uit ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 8:7-8, die na de eeuwenlange verstrooiing weldra opnieuw werkelijkheid zou worden: “Want de Eeuwige, uw G’d, brengt u in een goed land, een land van beken, bronnen en wateren, die in de dalen en op de bergen ontspringen; een land van tarwe en gerst, van wijnstokken, vijgebomen en granaatappelen; een land van olierijke olijfbomen en honig…”. De exemplaren op die fruittafel kwamen toen natuurlijk volstrekt nog niet altijd of bijna nooit uit het joodse land. Nog niet. Maar men deed moeite om in elk geval sinaasappels, vijgen en dadels uit het toenmalige Britse mandaatgebied Palestina te bemachtigen. En dan liefst in verse toestand, hetgeen toen uiteraard begrijpelijkerwijze niet altijd gemakkelijk was. De jongelui gingen rond langs de huizen van de Joden en boden daar allerlei Israëlische vruchten te koop aan: sinaasappelen of amandelen of dergelijke, die toen reeds op de Europese markten verkrijgbaar waren. De opbrengst was voor het Joods Nationaal Fonds, waaruit de bodem van het Joodse land werd gekocht, en zo heeft men in de Galut [diaspora] met de viering van TuBish’vat een actieve bijdrage geleverd voor de ontginning en de opbouw van het Beloofde Land. Er hebben zich hier en daar zelfs verenigingen gevormd met het doel om Chamisha-Asar op deze wijze gezamenlijk te vieren. Er bestaat zelfs een soort Sidur, een handleiding van de dienst, een orde van de Hebreeuwse stukken uit de bijbelse en nabijbelse literatuur, die tijdens de dis door de tafelronde worden opgezegd en in tegenstelling tot vroeger zorgt men nu wel heel nauwkeurig voor de aanwezigheid van vruchten, die werkelijk in Eretz Yisra’el gegroeid zijn, want het zijn boden van Israëlische grond, die getuigen van het feit dat G’d Zijn belofte waar heeft gemaakt! Sefardische Joden hebben ook rituelen ontwikkeld om Chamisha-Asar te vieren. Zij noemden deze feestdag “Las Frutas”: het Feest van Vruchten. Kinderen werd stukjes hout van Israëlische fruitbomen gegeven die als ketting om de hals werden gedragen. De welgestelden organiseerden vaak een overvloedig fruitfeest voor het hele dorp. Zo geeft Chamisha-Asar ofwel Tu biSh’vat, het nieuwjaarsfeest van de bomen, nog steeds aan Joodse mensen in de verstrooiing een band met het land Israël en herinnert aan het feit dat G’d Zijn beloftes altijd waarmaakt!

 

Beeldspraak voor mensen

 

In de Bijbel worden bomen zoals reeds eerder vermeld vaak gebruikt als een beeldspraak voor mensen. Een prachtig voorbeeld van een dergelijke Midrash [vertelling] vinden wij in ,ytp> Shof’tim [Richteren] 9:8-15, waarin Yotam [Jotam] de inwoners van Sh’chem [Sichem] toespreekt nadat zij Avimelech [Abimelek] hebben uitgeroepen tot koning: “Eens begaven de bomen zich op weg om een koning over zich te zalven en zij zeiden tot de olijfboom: wees toch koning over ons! Maar de olijfboom zeide tot hen: zou ik de vettigheid prijsgeven, welke G’d en mensen in mij eren, om te gaan zweven boven de bomen? Toen zeiden de bomen tot de vijgenboom: welaan, wees gij koning over ons! Maar de vijgenboom zeide tot hen: zou ik mijn zoetigheid prijsgeven en mijn goede vruchten, om te gaan zweven boven de bomen? Toen zeiden de bomen tot de wijnstok: welaan, wees gij koning over ons! Maar de wijnstok zeide tot hen: zou ik mijn most prijsgeven, die G’d en mensen vrolijk maakt, om te gaan zweven boven de bomen? Toen zeiden al de bomen tot de doornstruik: welaan, wees gij koning over ons! En de doornstruik zeide tot de bomen; indien gij mij werkelijk tot koning over u wilt zalven, komt dan en schuilt in mijn schaduw; maar zo niet, dan zal er vuur uitgaan van de doornstruik en de ceders van de Libanon verslinden”. De Midrash van Yotam bestaat uit twee delen. Uit een fabel en uit de toepassing ervan. Het was voor de bomen eigenlijk helemaal niet nodig om een koning te verkiezen, want zij zijn allen de bomen van de Eeuwige, die Hij geplant heeft en die Hijzelf verzorgd waardoor zij niets tekort komen (,ylht Tehilim [Psalmen] 104:16, en die Hij bijgevolg ook zal beschermen. En evenmin had Israël het nodig om te spreken van een koning over zich aan te stellen, want de G’d van Israël was en is hun Koning. Maar toen zij er aan dachten een koning over zich aan te stellen, hebben zij dit niet aan de statige ceder aangeboden en ook niet aan de hoge pijnboom, want deze bomen zijn slechts fraai van aanzien en geven slechts schaduw, maar verder zijn zij nutteloos vóórdat zij omgehouwen zijn. Nee, ze vroegen het aan vruchtbomen, de wijnstok en de olijfboom. Zij, die vrucht dragen voor het algemene welzijn, worden terecht geacht en geëerd door allen, die wijs zijn, meer dan zij, die slechts een fraaie vertoning maken. En toch weigerden zij en de reden, die al deze vruchtbomen gaven voor hun weigering, was ongeveer dezelfde. De olijfboom voert aan, dat hij zijn vettigheid en de wijnstok zijn most niet wil verlaten, waarmee zowel G’d als de mens geëerd en gediend worden, want olie en wijn werden beide gebruikt op G’ds altaar en op de tafel der mensen. En de vijgenboom wil zijn zoetigheid en zijn goede vrucht niet verlaten om te zweven over de bomen, of zoals sommigen vertalen, om op en neer te gaan voor de bomen. Hiermee wordt te kennen gegeven, dat hij niet van plan is om voor de bomen op en neer te gaan, zich voor hen uit te sloven. Uiteindelijk vragen de bomen of de doornstruik koning over hen wil zijn, maar doornstruiken leveren geen timmerhout en zeker ook geen voedzame vruchten. Eigenlijk zijn ze voorbeeldige nietsnutters. Bladeren dragen ze nauwelijks en in elk geval zó weinig dat ze geen schaduw geven om iemand te verkwikken. Maar als zo'n waardeloze droge doornstruik vlam vat, dan kan hij toch nog wel een gevaar voor het hele bos betekenen. Yotam wijst de inwoners van Sh’chem op het verderf dat door Avimelech over hen komen zal. Als de Eeuwige Zijn oordelen aankondigt, dan spreekt Hij geen fabeltjes. Het zijn geen loze woorden. Het is harde taal! G’d zoekt ook daarmee echter niet de ondergang van de mensen, maar hun behoud. Maar dan moeten ze wel luisteren naar Zijn stem en zich bekeren. Een soortgelijke Midrash waarin mensen met bomen worden vergeleken, vinden wij in laqzxy Yechezq’el [Ezechiël] 31:1-18, waarin het oordeel wordt beschreven over een ongehoorzaam en slecht volk: “In het elfde jaar, in de derde maand, op de eerste der maand, kwam het woord van de Eeuwige tot mij: Mensenkind, zeg tot Farao, de koning van Egypte, en tot zijn mensenmenigte: aan wie zijt gij in uw grootheid gelijk? Zie, Assur was een ceder op de Libanon, schoon van takken, met schaduwrijk loof, hoog van stam; zijn top reikte tot in de wolken. Water maakte hem groot, de vloed uit de diepte deed hem hoog worden; die liet zijn stromen vloeien rondom de plaats waar hij geplant was, en deed zijn geulen uitgaan tot naar alle bomen des velds. Daardoor werd zijn stam hoger dan alle andere bomen des velds; zijn twijgen werden talrijk en zijn takken lang door de overvloed van water, terwijl hij opschoot. In zijn twijgen nestelde al het gevogelte des hemels, onder zijn takken wierp al het gedierte des velds zijn jongen, in zijn schaduw woonden alle grote volken. Schoon was hij door zijn grootte, door de lengte van zijn takken, want zijn wortel reikte tot aan een overvloed van water. Ceders in G’ds hof evenaarden hem niet, cypressen waren niet te vergelijken met zijn twijgen, en platanen haalden niet bij zijn takken; geen boom in G’ds hof was hem gelijk in schoonheid. Schoon had Ik hem gemaakt met zijn overvloed van takken; alle bomen van Eden die in G’ds hof stonden, benijdden hem. Daarom, zo zegt de Eeuwige Adonai, omdat hij hoog van stam geworden was en zijn top tot in de wolken had gestoken, en omdat zijn hart zich verhovaardigd had op zijn hoogte, daarom gaf Ik hem over aan een machtige onder de volken, die hem ten volle deed naar zijn g’ddeloosheid; Ik verstiet hem. Vreemden, de gewelddadigste der volken, velden hem en deden hem neerstorten op de bergen en in alle dalen vielen zijn takken, zijn twijgen braken in alle beekbeddingen der aarde, alle volken der aarde trokken weg uit zijn schaduw en lieten hem liggen. Al het gevogelte des hemels zette zich neer op zijn omgevallen stam, en tussen zijn takken legerde al het gedierte des velds; opdat geen boom aan het water zich meer verhovaardige op zijn hoogte of zijn top tot in de wolken steke, en opdat de waterdrinkers in hun trots zich niet verbeelden in eigen kracht te kunnen staan. Want zij zijn allen aan de dood overgegeven, om naar lva> She’ol [de onderwereld] te gaan, te midden der mensenkinderen, naar hen die in de groeve zijn neergedaald. Zo zegt de Eeuwige Adonai: Ten dage dat hij neerdaalde in het dodenrijk, hulde Ik om zijnentwil de vloed in rouw en hield zijn stromen tegen, zodat de overvloed van water ophield; om zijnentwil hulde Ik de Libanon in een rouwkleed; om zijnentwil versmachtten alle bomen des velds. Door het gedreun van zijn val deed Ik de volken beven, toen Ik hem deed neerdalen in het dodenrijk, bij hen die in de groeve zijn neergedaald. Maar in de onderwereld troostten zich alle bomen van Eden, de keur en het schoonste van de Libanon, alle waterdrinkers. Ook zij waren met hem in het dodenrijk neer gedaald, naar hen die met het zwaard gedood zijn, zijn helpers die in zijn schaduw hadden gewoond te midden der volken. Aan wie onder de bomen van Eden zijt gij dan in heerlijkheid en grootheid gelijk? Met de bomen van Eden zult gij neergeworpen worden in de onderwereld, liggen te midden van onbesnedenen, bij hen die met het zwaard gedood zijn. Zo gaat het Farao met zijn gehele mensenmenigte, luidt het woord van de Eeuwige Adonai”.

 

De Edele Olijfboom

 

Deze Joodse manier om door een Midrash in gelijkenissen te onderwijzen is zeer oud en ook Yeshua staat erom bekend dat Hij sprak in gelijkenissen, waarin Hij dikwijls de bomen als beeldspraak voor mensen gebruikte: “Reeds ligt de bijl aan de wortel der bomen: iedere boom dan, die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen (vhyttm Matityahu [Matthéüs] 3:10). - “Aan hun vruchten zult gij hen kennen: men leest toch geen druiven van dorens of vijgen van distels? Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de slechte boom brengt slechte vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, of een slechte boom goede vruchten dragen. Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Zo zult gij hen dan aan hun vruchten kennen” (vhyttm Matityahu [Matthéüs] 7:16-20). - “Immers, er is geen goede boom, die slechte vrucht voortbrengt, noch ook een slechte boom, die goede vrucht voortbrengt. Want elke boom wordt aan zijn eigen vrucht gekend. Want van dorens leest men geen vijgen, en van een braamstruik oogst men geen druif” (Lucas 6:43-44), om maar enkele voorbeelden te noemen. Maar ook Sha’ul haShaliach [de apostel Paulus] spreekt op dezelfde wijze over bomen als beeldspraak voor mensen. Een bekend voorbeeld is zijn Midrash in Romeinen 11, waarmee hij wil verduidelijken dat de gelovigen uit de volken als wilde takken zijn geënt op de Edele Olijfboom Israël, nadat enkele natuurlijke takken vanwege hun ongeloof en ongehoorzaamheid waren weggebroken. De wilde takken kwamen echter niet in de plaats van alle natuurlijke takken, maar werden tussen de overgebleven natuurlijke takken in geënt. Sha’ul waarschuwt de geënte wilde loten zeer nadrukkelijk voor een hoogmoedige houding tegenover de afgekapte natuurlijke takken: “Indien nu enkele van de takken weggebroken zijn en gij als wilde loot daartussen geënt zijt en aan de saprijke wortel van de olijf deel hebt gekregen, beroem u dan niet tegen de takken! Indien gij u ertegen beroemt; niet gij draagt de wortel, maar de wortel u!!! Gij zult dan zeggen: er zijn takken weggebroken, opdat ik als loot geënt zou worden. Goed! Zij zijn om hun ongeloof weggebroken en gij staat door het geloof. Wees niet hoogmoedig, maar vrees! Want indien G’d de natuurlijke takken niet gespaard heeft, Hij zal ook u niet sparen. Let dan op de goedertierenheid G’ds en zijn gestrengheid: over de gevallenen gestrengheid, maar over u goedertierenheid G’ds, indien gij bij de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij weggekapt worden. Maar ook zij zullen, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven, weder geënt worden; G’d is immers bij machte hen opnieuw te enten. Want indien gij uit de wilde olijf, waartoe gij naar uw natuur behoort, weggekapt en tegen uw natuur op de edele olijf geënt zijt, hoeveel te meer zullen dezen, naar hun natuur, op hun eigen olijf geënt worden” (Romeinen 11:17-24). In de tweedelige bijbelstudie “De Edele Olijf” ga ik wat uitgebreider hierop in.

 

De Boom des Levens

 

In ty>arb B’reshit [Genesis] 2:9 en 2:16-17 wordt er gesproken over de boom van kennis en de Boom des Levens. Eigenlijk kan men dit zien als de eerste Midrash waarin bomen als beeldspraak worden gebruikt: “Ook deed Adonai Elohim allerlei geboomte uit de aardbodem opschieten, begeerlijk om te zien en goed om van te eten; en de Boom des Levens in het midden van de hof, benevens de boom der kennis van goed en kwaad.” - “En Adonai Elohim legde de mens het gebod op: Van alle bomen in de hof moogt gij vrij eten, maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven.” - Helaas hebben de mensen de boom der kennis verkozen boven de Boom des Levens, en de gevolgen daarvan dragen wij tot de huidige dag: “En Adonai Elohim zeide: Zie, de mens is geworden als Onzer een door de kennis van goed en kwaad; nu dan, laat hij zijn hand niet uitstrekken en ook van de Boom des Levens nemen en eten, zodat hij in eeuwigheid zou leven. Toen zond Adonai Elohim hem weg uit de hof van Eden om de aardbodem te bewerken, waaruit hij genomen was. En Hij verdreef de mens en Hij stelde ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde, om de weg tot de Boom des Levens te bewaken.” (ty>arb B’reshit [Genesis] 2:22-24). Door onze zonde is de toegang tot de Boom des Levens en daardoor tot het eeuwig leven, eigenlijk geblokkeerd, afgesloten! Maar Yeshua heeft aan het kruis van Golgotha de weg vrij gemaakt voor ons. Het enige wat Hij van ons vraagt is berouw, bekering, gehoorzaamheid en volhardend geloof! Als wij aan deze voorwaarden voldoen, dan hebben wij vrije toegang tot de Boom des Levens, want dat heeft de eeuwige ons beloofd: “Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint, hem zal Ik geven te eten van de Boom des Levens, die in het paradijs G’ds is.” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 2:7). Maar opnieuw een dringende waarschuwing: “Ik betuig aan een ieder, die de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan toevoegt, G’d zal hem toevoegen de plagen, die in dit boek geschreven zijn; en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, G’d zal zijn deel afnemen van het Geboomte des Levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn!” (]vyzx Chizayon [Openbaring] 22:19-20).

 

Dag van blijdschap en bezinning

 

Daarom is ub>b v’’t Tu biSh’vat [het Nieuwjaarsfeest van de bomen], elk jaar opnieuw voor ons allen een dag van vreugde en blijdschap met het oog op ,yyxh /i Etz haChayim [de Boom des Levens], die op ons staat te wachten, maar tegelijkertijd ook een dag van bezinning om onszelf te onderzoeken tot welke soort bomen wij behoren: zijn wij nog gezonde, sterke en vruchtbare bomen of zijn wij reeds aan het verdorren?

 

Werner Stauder